Regeling Verordening langdurigheidstoeslag gemeente Bedum

Wettechnische informatie

  • Officiële naam: Verordening Langdurigheidstoeslag gemeente Bedum
  • Citeertitel: Verordening langdurigheidstoeslag gemeente Bedum
  • Naam organisatie: Bedum
  • Besloten door: gemeenteraad
  • Onderwerp: maatschappelijke zorg en welzijn
  • Datum inwerkingtreding: 2012-03-01

Grondslagen

  • Wet werk en bijstand, art. 8 lid 1 sub b
  • Wet werk en bijstand, art. 36

Opmerkingen m.b.t. de regeling

  • Geen

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen
Datum
inwerking-
treding
Terugwerkende
kracht t/m
Datum uitwerking-
treding
Betreft Datum ondertekening Bron bekendmaking Kenmerk voorstel
01-01-2009 01-01-2009 01-03-2012 Nieuwe regeling 26-03-2009 Gemeenteblad, 27-3-2009 Onbekend

Inleiding

De Raad van de gemeente Bedum;

gelezen het voorstel van Burgemeester en Wethouders d.d 21 februari 2009;

gelet op het bepaalde in artikel 8, eerste lid, sub b van de Wet werk en

bijstand is de gemeente verplicht, bij verordening regels te stellen aangaande de langdurigheidstoeslag, zoals bedoeld in artikel 36, van de Wet werk en bijstand;

Besluit:

vast te stellen de

Verordening Langdurigheidstoeslag gemeente Bedum.

Artikel 1 Definities en begrippen

1.

De wet: de Wet werk en bijstand;

2.

WTOS: Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten;

3.

WSF 2000: Wet Studiefinanciering;

4.

Referteperiode: een periode van 36 maanden voorafgaand aan de peildatum;

5.

Peildatum: de datum waarop aan de voorwaarden voor toekenning is voldaan;

6.

6. Inkomen: het inkomen als bedoeld in artikel 32 van de wet, met dien verstande dat voor de zinsnede ‘een periode waarover een beroep op bijstand wordt gedaan moet worden gelezen ‘de referteperiode’. Een bijstandsuitkering wordt, in afwijking van artikel 32 van de wet voor de beoordeling van het recht op langdurigheidstoeslag als inkomen gezien;

7.

gehuwdennorm: de norm van artikel 21 onderdeel c van de wet.

Artikel 2 Uitvoering

De uitvoering van deze verordening berust bij het college van burgemeester en wethouders.

Artikel 3 Langdurig, laag inkomen

1.

Onverlet het bepaalde in artikel 36 van de wet komt in aanmerking voor de langdurigheidstoeslag de belanghebbende die gedurende een onafgebroken periode van 36 maanden aangewezen is geweest op een inkomen dat niet hoger is dan 104% van de voor hem geldende bijstandsnorm zoals genoemd in artikel 21 van de wet en geen in aanmerking te nemen vermogen heeft als bedoeld in artikel 34 van de wet.

2.

Niet voor de langdurigheidstoeslag komt in aanmerking de belanghebbende die een opleiding volgt als bedoeld in de WTOS, dan wel een studie volgt als genoemd in de WSF 2000.

3.

Voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel a, blijven tijdens de referteperiode ontvangen inkomsten uit arbeid tot een bedrag van € 3500,00 buiten beschouwing.

Artikel 4 Hoogte van de langdurigheidstoeslag

1.

De langdurigheidstoeslag bedraagt per jaar;

  • a.

    voor gehuwden € 510,00 (40% van de gehuwdennorm);

  • b.

    voor een alleenstaande ouder € 446,00 (35% van de gehuwdennorm);

  • c.

    voor een alleenstaande € 383,00 (30% van de gehuwdennorm);

2.

Voor de toepassing van het eerste lid is de situatie op de peildatum bepalend.

3.

Indien één van de gezinsleden op de peildatum is uitgesloten van het recht op langdurigheidstoeslag ingevolge artikel 11 of artikel 13 lid 1 van de wet, waardoor slechts één van de gezinsleden recht op langdurigheidstoeslag heeft, komt dit gezinslid in aanmerking voor een langdurigheidstoeslag naar de hoogte die voor hem als alleenstaande of alleenstaande ouder zou gelden.

4.

De in het eerste lid genoemde bedragen worden elk jaar per 1 januari aangepast aan de hand van de op die datum geldende gehuwdennorm.

Regelingen in verband met de wijzigingen in de WWB en de intrekking van de WIJ per 1 januari 2012

Artikel 4a Wijziging betekenis begrippen

1.

Waar in deze verordening de begrippen "alleenstaande", "alleenstaande ouder" en "gezin" worden gebruikt, hebben deze vanaf 1 januari 2012 dezelfde betekenis als in artikel 4 van de wet.

2.

Waar in deze verordening wordt geproken over "gehuwde(n)" of "gehuwdennorm" hebben deze begrippen vanaf 1 januari 2012 dezelfde betekenis als "gezin", bedoeld in artikel 4, respectievelijk "gezinsnorm", bedoeld in artikel 21, eerste lid, van die wet.

Artikel 4b Laag inkomen vanaf 1 januari 2012

Vanaf 1 januari 2012 wordt in deze verordening onder "laag inkomen" als bedoeld in artikel 36, eerste lid, van de wet, verstaan: een inkomen tot 105% van de toepasselijke bijstandsnorm.

Slotbepalingen

Artikel 5 Onvoorziene gevallen

In gevallen waarin deze regeling niet voorziet, beslist het college.

Artikel 6 Citeertitel

Deze verordening kan worden aangehaald als: Verordening langdurigheidstoeslag gemeente Bedum.

Artikel 7 Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2009.

Aldus vastgesteld in de raadsvergadering van 26 maart 2009:

De voorzitter,  (Mr. drs. W.H. Everts)              

De griffier,      (Drs. H.P. Reijsoo)

Toelichting verordening langdurigheidstoeslag

Algemeen

Op grond van artikel 8 lid 1 onderdeel d WWB dient de gemeenteraad bij verordening regels vast te leggen met betrekking tot het verlenen van een langdurigheidstoeslag. Deze regels dienen in ieder geval betrekking te hebben op de hoogte van de langdurigheidstoeslag en de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de begrippen langdurig en laag inkomen, zoals in artikel 36 lid 1 WWB worden gebruikt.

Artikelgewijs

Artikel 1.

Begrippen die in de WWB voorkomen hebben in deze verordening dezelfde betekenis als in de WWB. Ten aanzien van een aantal begrippen, die als zodanig niet in de WWB zelf staan is een definitie gegeven in deze verordening. Met betrekking tot het begrip inkomen is een van de WWB afwijkende definitie opgenomen.

Artikel 3.

Een referteperiode van vijf jaar, zoals artikel 36 WWB voorschreef wordt als te lang ervaren. Nadat belanghebbenden drie jaar op een minimum inkomen zijn aangewezen is er over het algemeen niet veel reserveringsruimte over. Daarom wordt hier een termijn van drie jaar aangehouden. Dit sluit ook aan bij de impliciet door de wetgever gegeven termijn. De minimumleeftijd is immers door de wetgever teruggebracht van 23 naar 21 jaar. Een belanghebbende is immers (normaal gesproken) vanaf zijn 18e voor de WWB een zelfstandig rechtssubject.

Door te kiezen voor 104% van de bijstandsnorm in plaats van voor 100% is duidelijk dat een belanghebbende met een inkomen op minimumniveau krachtens een andere regeling dan de WWB toch in aanmerking kan komen voor het recht op langdurigheidstoeslag. De methode van het kijken naar het gemiddelde loon maakt dat iemand die wegens werkaanvaarding een korte periode een inkomen boven bijstandsniveau heeft gehad niet zonder meer zijn recht op langdurigheidstoeslag kwijt is. Een dergelijk gevolg zou namelijk een negatieve prikkel zijn bij het aanvaarden van het werk. Dat geldt temeer als een belanghebbende geen of maar weinig zekerheid heeft over de duur van dit werk.

Er is bewust niet voor gekozen om het recht op langdurigheidstoeslag ook toe te kennen bij een inkomen boven 104% van de bijstandsnorm. Dit zou namelijk betekenen dat ook personen van 65 jaar en ouder ondanks dat ze wettelijk zijn uitgesloten toch in aanmerking zouden komen als gevolg van het verbod op leeftijdsdiscriminatie zoals vastgelegd in artikel 26 van Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten. De feitelijke ruimte is dus beperkt tot een grens van maximaal 104% van de bijstandsnorm genoemd in artikel 21 van de WWB.

Artikel 4.

De hoogte van de langdurigheidstoeslag is gebaseerd op de huidige hoogte. Om niet jaarlijks de verordening aan te hoeven passen is gekozen om de hoogte jaarlijks automatisch mee te laten bewegen met de bijstandsnormen. Omdat de bijstandsnormen in beginsel 2 maal per jaar worden geïndexeerd en de langdurigheidstoeslag maar eenmaal, wordt steeds vergelijking gemaakt met de bijstandsnormen van per 1 januari van het voorafgaande jaar.

In het derde lid wordt een regeling overeenkomstig artikel 24 WWB gegeven voor situaties waarin bij gehuwden een van beiden partners is uitgesloten van het recht op langdurigheidstoeslag ingevolge artikel 11 of artikel 13 lid 1 WWB. De WWB voorziet immers niet in een afwijzingsgrond voor de rechthebbende echtgenoot, terwijl daarentegen het toekennen van het bedrag voor gehuwden in dergelijke situaties ook niet opportuun is.

Dit derde lid ziet enkel op de situatie dat er bij een echtgenoot sprake is van een uitsluitingsgrond op grond van artikel 11 of artikel 13 lid 1 WWB. Indien een van de beide gehuwden niet in aanmerking komt voor het recht op langdurigheidstoeslag wegens het niet voldoen aan de voorwarden als genoemd in artikel 36 WWB of in deze verordening, hebben beiden echtgenoten geen recht op de langdurigheidstoeslag. Het recht op langdurigheidstoeslag komt gehuwden immers gezamenlijk toe. Zij moeten daarom ook allebei, zowel afzonderlijk als gezamenlijk aan de voorwaarden voldoen.