Regeling Nadere regels en besluit maatschappelijke ondersteuning

Wettechnische informatie

  • Officiële naam: Nadere regelsen besluit maatschappelijke ondersteuning 2015 BMWE-gemeenten
  • Citeertitel: Nadere regels en besluit maatschappelijke ondersteuning
  • Naam organisatie: Bedum
  • Besloten door: college van burgemeester en wethouders
  • Onderwerp: maatschappelijke zorg en welzijn
  • Datum inwerkingtreding: 2015-01-01

Grondslagen

  • Wet maatschappelijke ondersteuning
  • Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Bedum 2015

Opmerkingen m.b.t. de regeling

  • Geen

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen
Datum
inwerking-
treding
Terugwerkende
kracht t/m
Datum uitwerking-
treding
Betreft Datum ondertekening Bron bekendmaking Kenmerk voorstel
01-01-2015 Nieuwe regeling 16-12-2014 Gemeenteblad 2014, nr. 78844 Onbekend

Inleiding

Inleiding

Deze nadere regels en besluit maatschappelijke ondersteuning vormen een nadere uitwerking van de Verordening en de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) en zijn hiermee onlosmakelijk verbonden. Waar een onderdeel uit de nadere regels onbedoeld afwijkt van hetgeen geregeld is in Verdragen, jurisprudentie, wet of verordening, dan is de betreffende bepaling onverbindend.

Met dit document worden tevens alle bedragen vastgesteld die gemoeid zijn met de uitvoering van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) en de verordening Maatschappelijke ondersteuning 2015.

In de Wmo 2015 is het uitgangspunt dat de gemeente zorg draagt voor de maatschappelijke ondersteuning en zorg draagt voor de kwaliteit en continuïteit van voorzieningen. Wanneer een inwoner met een beperking, psychische of psychosociale stoornis op eigen kracht, met behulp van de inzet van sociale netwerken en het gebruik van algemene voorzieningen onvoldoende zelfredzaam is of onvoldoende kan participeren, draagt de gemeente zorg voor maatschappelijk ondersteuning in de vorm van een maatwerkvoorziening.

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Eemsmond;

besluit vast te stellen ''Nadere regels en besluit Maatschappelijke ondersteuning 2015''

Algemeen

Artikel 1. Begripsbepaling.

Voor de begripsbepalingen wordt verwezen naar de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, het besluit Wmo 2015 en de Verordening Wmo 2015.

Procedureregels aanvraag maatschappelijke ondersteuning

Artikel 2. Melding hulpvraag

1.

Een hulpvraag kan door of namens een cliënt bij het college worden gemeld.

2.

Het college bevestigt de ontvangst van een melding schriftelijk.

3.

In spoedeisende gevallen als bedoeld in artikel 2.3.3 van de wet treft het college na de melding onverwijld een tijdelijke maatwerkvoorziening in afwachting van de uitkomst van het onderzoek.

Artikel 3. Cliëntondersteuning

1.

Het college zorgt ervoor dat ingezetenen een beroep kunnen doen op kosteloze cliëntondersteuning, waarbij het belang van de cliënt uitgangspunt is.

2.

Het college wijst de cliënt en zijn mantelzorger voor het onderzoek, bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet, op de mogelijkheid gebruik te maken van gratis cliëntondersteuning.

Artikel 4. Onderzoek

1.

Het college verzamelt alle voor het onderzoek, bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet, van belang zijnde en toegankelijke gegevens over de cliënt en zijn situatie en maakt zo spoedig mogelijk met hem een afspraak voor een gesprek.

2.

Voor het gesprek verschaft de cliënt het college alle overige gegevens en bescheiden die naar het oordeel van het college voor het onderzoek nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.

3.

Bij het onderzoek is vaststelling van de identiteit aan de hand van een identiteitsdocument als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht voldoende.

4.

Indien de cliënt bekend is bij de gemeente, kan worden afgezien van het onderzoek zoals genoemd in het eerste en tweede lid van dit artikel.

5.

Het college brengt de cliënt op de hoogte van de mogelijkheid om een persoonlijk plan als bedoeld in artikel 2.3.2, tweede lid, van de wet op te stellen en stelt hem gedurende zeven dagen na de melding in de gelegenheid het plan te overhandigen waarin hij de omstandigheden, bedoeld in het vierde lid, onderdelen a tot en met g, beschrijft en aangeeft welke maatschappelijke ondersteuning naar zijn mening het meest is aangewezen.

Artikel 5. Gesprek

1.

Het college onderzoekt, conform hetgeen is gesteld in artikel 2.3.2. van de Wet, in een gesprek met de cliënt of diens vertegenwoordiger en waar mogelijk met de mantelzorger of mantelzorgers en desgewenst familie, zo spoedig mogelijk en voor zover nodig:

  • a.

    de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren van de cliënt;

  • b.

    het gewenste resultaat van het verzoek om ondersteuning;

  • c.

    de mogelijkheden om op eigen kracht of met gebruikelijke hulp of algemeen gebruikelijke voorzieningen zijn zelfredzaamheid of zijn participatie te handhaven of te verbeteren, of te voorkomen dat hij een beroep moet doen op een maatwerkvoorziening;

  • d.

    de mogelijkheden om met mantelzorg of hulp van andere personen uit zijn sociaal netwerk te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie, of te voorkomen dat hij een beroep moet doen op een maatwerkvoorziening;

  • e.

    de behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger van de cliënt;

  • f.

    de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening, zoals opgenomen in het beleidsplan, bedoeld in artikel 2.1.2 van de wet, of door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie, of te voorkomen dat hij een beroep moet doen op een maatwerkvoorziening;

  • g.

    de mogelijkheden om door middel van samenwerking met zorgverzekeraars en zorgaanbieders als bedoeld in de Zorgverzekeringswet en partijen op het gebied van publieke gezondheid, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen, te komen tot een zo goed mogelijk afgestemde dienstverlening met het oog op de behoefte aan verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie of aan beschermd wonen of opvang;

  • h.

    de mogelijkheid om een maatwerkvoorziening te verstrekken;

  • i.

    welke bijdragen in de kosten de cliënt met toepassing van het bepaalde bij of krachtens artikel 2.1.4 van de wet verschuldigd zal zijn, en

  • j.

    de mogelijkheden om te kiezen voor de verstrekking van een pgb, waarbij de cliënt in begrijpelijke bewoordingen wordt ingelicht over de gevolgen van die keuze.

2.

Als de cliënt een persoonlijk plan als bedoeld in artikel 4, vierde lid, aan het college heeft overhandigd, betrekt het college dat plan bij het onderzoek, bedoeld in het eerste lid.

3.

Het college informeert de cliënt over de gang van zaken bij het gesprek, diens rechten en plichten en de vervolgprocedure en vraagt de cliënt toestemming om zijn persoonsgegevens te verwerken.

4.

Als de hulpvraag genoegzaam bekend is, kan het college onverminderd het bepaalde in artikel 2.3.2 van de wet, in overleg met de cliënt afzien van een gesprek.

Artikel 6. Verslag

  • 1.

    Het college zorgt voor schriftelijke verslaglegging van het onderzoek.

  • 2.

    Na het gesprek verstrekt het college aan de cliënt een verslag van de uitkomsten van het onderzoek.

  • 3.

    Opmerkingen of latere aanvullingen van de cliënt worden aan het verslag toegevoegd.

  • 4.

    Het verslag met uitkomsten van het onderzoek, aangevuld met de opmerkingen of latere aanvullingen van de cliënt vormen de basis voor het maatwerkplan.

  • 5.

    Het college neemt het verslag mede als uitgangspunt voor de beoordeling van een aanvraag om een maatwerkvoorziening.

  • 6.

    Het verslag kan als bijlage van en door ondertekening van een aanvraagformulier direct als aanvraag worden ingediend.

Artikel 7. Aanvraag

  • 1.

    Een cliënt of zijn gemachtigde of vertegenwoordiger kan een aanvraag om een maatwerkvoorziening schriftelijk indienen bij het college.

  • 2.

    Een aanvraag wordt ingediend door middel van een aanvraagformulier.

Artikel 8. Advisering, informatieplicht en medewerking aan de beoordeling

  • 1.

    Het college kan een door hem daartoe aangewezen deskundige om advies vragen als het dit van belang acht voor de beoordeling van de aanvraag om een maatwerkvoorziening.

  • 2.

    De persoon met beperking die een melding heeft gedaan of voor wie dat is gedaan dan wel een aanvraag heeft ingediend of aan wie een voorziening is toegekend, is verplicht om aan het college desgevraagd medewerking te verlenen die redelijkerwijs noodzakelijk is voor de uitvoering van de wet en de verordening en deze nadere regels. Hieronder wordt in ieder geval verstaan:

    • a.

      het voldoen aan een oproep om op een aangegeven tijdstip en plaats te verschijnen, dan wel iemand op een van te voren aangegeven moment toegang tot zijn woning te verlenen;

    • b.

      het meewerken aan een onderzoek door één of meer daartoe aangewezen deskundigen, daaronder zo nodig begrepen een lichamelijk of andersoortig onderzoek om de belemmeringen te kunnen vaststellen.

  • 3.

    De persoon met beperking die een aanvraag heeft ingediend of aan wie een voorziening is toegekend, is verplicht om op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling te doen van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op een voorziening, dan wel op de aard, de hoogte of de duur daarvan.

Artikel 9. De beschikking

  • 1.

    Voor algemene voorzieningen verleent het college geen beschikking, een algemene voorziening kan wel deel uit maken van het persoonlijk plan of maatwerkplan waarop een beschikking wordt afgegeven.

  • 2.

    Voor een maatwerkvoorziening verstrekt het college een beschikking. Een maatwerkplan of persoonlijk plan maakt waar mogelijk integraal onderdeel uit van de beschikking.

  • 3.

    In de beschikking wordt de informatie- en medewerkingsplicht opgenomen als bedoeld in artikel 2.3.8 van de wet.

  • 4.

    In de beschikking tot verstrekking van een maatwerkvoorziening wordt in ieder geval aangegeven of deze als voorziening in natura of als pgb wordt verstrekt en wordt tevens aangegeven hoe bezwaar tegen de beschikking kan worden gemaakt.

  • 5.

    Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in natura wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd:

    • a.

      wat het beoogde resultaat van de voorziening is welke de te verstrekken voorziening is;

    • b.

      wat de ingangsdatum en duur van de verstrekking is;

    • c.

      de beoogde resultaten welke andere (algemene) voorzieningen relevant zijn of kunnen zijn;

    • d.

      gedurende welke periode een eigen bijdrage verschuldigd is;

    • e.

      hoe hoog het bedrag van de kostprijs van de voorziening voorziening is.

  • 6.

    Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb wordt in de beschikking een programma van eisen vastgelegd waaraan de voorziening moet voldoen om verantwoord en duurzaam te zijn waarin ieder geval is opgenomen:

    • a.

      voor welk resultaat het pgb moet worden aangewend;

    • b.

      welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het pgb;

    • c.

      wat de hoogte van het pgb is en hoe hiertoe is gekomen;

    • d.

      wat de duur is van de verstrekking waarvoor het pgb is bedoeld;

    • e.

      de wijze van verantwoording van de besteding van het pgb;

    • f.

      op welke wijze de persoon met beperking de voorziening moet terugbetalen of teruggeven als deze voor afloop van de afschrijvingstermijn niet meer wordt gebruikt.

  • 7.

    Voor maatwerkvoorzieningen als Huishoudelijke ondersteuning (+) en begeleiding/dagbesteding is geen sprake van een programma van eisen, maar een ondersteuningsovereenkomst- of budgetplan.

  • 8.

    Als sprake is van een te betalen eigen bijdrage wordt de cliënt daarover in de beschikking geïnformeerd.

Pgb

Algemeen.

Artikel 10. Persoonsgebonden budget (pgb)

1.Een persoon met een beperking heeft niet de mogelijkheid te kiezen voor een persoonsgebonden budget als daartegen onderbouwde bezwaren zijn. Daarvan is in ieder geval sprake als:

  • a.

    de voorziening een collectieve vervoerspas betreft;

  • b.

    er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat de persoon met beperking zonder hulp niet in staat is tot een verantwoorde besteding van het persoonsgebonden budget.

  • c.

    de voorziening wordt aangevraagd voor gecontracteerde ZIN-voorzieningen in het kader van Huishoudelijke Ondersteuning (+), Begeleiding en Dagbesteding.

Nadere verplichtingen budgethouder.

Artikel 11. Nadere verplichtingen budgethouder

  • 1.

    De budgethouder is verplicht om gedurende de gebruiksduur de aangeschafte voorziening voldoende te laten onderhouden en, voor zover van toepassing, toereikend te verzekeren.

  • 2.

    In geval van een scootmobiel, aangepaste fiets met hulpmotor of elektrische rolstoel is de budgethouder verplicht een all-risk verzekering af te sluiten gedurende de gebruiksduur van het hulpmiddel.

  • 3.

    Ingeval het gebruik van de voorziening welke met een persoonsgebonden budget is aangeschaft, is beëindigd en de gebruiksduur van de voorziening niet geheel is verstreken, is de budgethouder verplicht de voorziening te retourneren dan wel de restwaarde, onder verrekening van eventueel ingebrachte eigen middelen, aan de gemeente te vergoeden. Voor de berekening van de afschrijving wordt waar mogelijk aansluiting gezocht bij de afschrijvingssystematiek als gehanteerd in de aanbesteding hulpmiddelen 2014.

  • 4.

    Bij de vaststelling van de hoogte van het persoonsgebonden budget wordt rekening gehouden met afschrijvingstermijnen die naar geldende maatschappelijke normen voor de verstrekte voorziening gebruikelijk zijn. Mocht na die tijd blijken dat de voorziening nog in goede staat verkeert, dan wordt de gebruiksduur verlengd.

  • 5.

    Voor de vaststelling van afschrijvingstermijnen van hulpmiddelen, wordt gebruik gemaakt van de afschrijvingstermijnen zoals deze van toepassing zijn binnen geldende overeenkomst met de gecontracteerde hulpmiddelenleverancier.

Artikel 12. Hoogte van het Pgb.

  • 1.

    De hoogte van een pgb voor een verstrekking wordt bepaald op ten hoogste de kostprijs van de voorziening die de aanvrager op dat moment zou hebben ontvangen als de deze voorziening in natura zou zijn verstrekt.

    • a.

      Als de naturaverstrekking een tweedehands voorziening betreft, wordt de kostprijs daarop gebaseerd, met een looptijd gelijk aan de verkorte termijn waarop de zaak technisch is afgeschreven, rekening houdend met onderhoud en verzekering.

    • b.

      Als de naturaverstrekking een nieuwe voorziening betreft, wordt de kostprijs daarop gebaseerd, rekening houdend met een eventueel door de gemeente te ontvangen korting en rekening houdend met onderhoud en verzekering;

    • c.

      De kostprijs voor onderhoud en verzekering wordt gelijkgesteld aan de tarieven die worden gehanteerd door gecontracteerde hulpmiddelenleverancier.

  • 2.

    De hoogte van een pgb voor een ‘’dienst’’ wordt bepaald op ten hoogste het tarief als opgenomen in ‘’Bijlage Tarieven Ondersteuning ZIN en pgb 2015’’.

  • 3.

    Cliënten moeten zelf bijbetalen wanneer het tarief van de door de gewenste aanbieder of voorziening duurder is dan het door het college voorgestelde aanbod.

  • 4.

    Het tarief voor een pgb dat besteed wordt bij een zzp-er of bij een instelling (niet zijnde door de gemeente gecontracteerd) is een percentage van 70% tot 100% van de kostprijs van de maatwerkvoorziening in ZIN. Als uit het gesprek en het persoonlijk plan blijkt dat dit tarief niet toereikend is, kan hier van worden afgeweken tot ten hoogste de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate maatwerkvoorziening in natura.

  • 5.

    Het tarief voor een pgb:

    • a.

      is gebaseerd op een door de cliënt opgesteld plan over hoe hij het pgb gaat besteden;

    • b.

      is toereikend om effectieve en kwalitatief goede ondersteuning in te kopen, en

    • c.

      bedraagt ten hoogste de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate maatwerkvoorziening in natura.

  • 6.

    Het tarief voor een pgb dat besteed wordt bij iemand uit het sociale netwerk is een vast bedrag per uur. Het vaste uurbedrag is gelijk aan het geldende wettelijk minimumloon gebaseerd op een werkweek van 40 uur voor deze persoon inclusief de reservering vakantiegeld.

  • 7.

    Het tarief voor een pgb dat besteed wordt bij iemand uit het sociale netwerk is eventueel te vermeerderen met de reiskosten. De reiskosten worden gebaseerd op het OV-tarief van € 0,155 per kilometer tot een maximale afstand voor de enkele reis van 25,5 kilometer.

  • 8.

    Het tarief voor een pgb dat besteed wordt bij iemand uit het sociaal netwerk is eventueel te vermeerderen met een compensatie voor het verlies van pensioenrechten, wanneer:

    • a.

      er daadwerkelijk sprake is van het niet opbouwen van pensioenrechten als gevolg van het (tijdelijk) opzeggen van arbeidsuren in verband met het bieden van ondersteuning;

    • b.

      de compensatie alleen betrekking heeft op de periode waarover de ondersteuning daadwerkelijk wordt geleverd.

  • 9.

    Loondoorbetaling bij ziekte, vervanging bij ziekte en claims zijn verzekerd via de SVB.

Eigen Bijdrage.

Artikel 13. Bijdrage voor algemene voorzieningen

  • 1.

    Er wordt door de gemeente geen eigen bijdrage voor een algemene voorziening gevraagd.

  • 2.

    Voor de volgende algemene voorzieningen kan de cliënt aan de aanbieder een bijdrage in de kosten verschuldigd zijn:

    • a.

      collectief vervoer;

    • b.

      dagbesteding met laag intensieve ondersteuning;

    • c.

      maaltijdvoorziening;

    • d.

      kortdurend verblijf- of respijtzorg met laag intensieve ondersteuning;

    • e.

      was- en strijkservice;

    • f.

      klussendienst.

  • 3.

    De bijdrage in de kosten van de algemene voorziening in de vorm van:

    • a.

      Het collectief vervoer bedraagt de opstapprijs van € 0,88 te vermeerderen met een bedrag van € 0,155 per kilometer;

    • b.

      dagbesteding met laag intensieve ondersteuning bedraagt ten hoogste de kostprijs te vermeerderen met de kosten van eventuele consumpties in de vorm van (brood)maaltijden en dranken.

    • c.

      Een maaltijdvoorziening bedraagt ten hoogste de feitelijke kosten;

    • d.

      kortdurend verblijf- of respijtzorg: niet van toepassing;

    • e.

      was- en strijkservice: niet van toepassing;

    • f.

      de klussendienst bedraagt € 5,00 per uur plus de materiaalkosten.

Artikel 14. Eigen bijdrage voor maatwerkvoorzieningen.

  • 1.

    Voor een maatwerkvoorziening is een eigen bijdrage verschuldigd.

  • 2.

    Voor de eigen bijdrage voor de maatwerkvoorziening Beschermd Wonen wordt verwezen naar de bedragen die hiervoor zijn vastgesteld door de centrumgemeente Groningen.

  • 3.

    De hoogte van de eigen bijdrage voor een maatwerkvoorziening bedraagt niet meer dan de kostprijs van de voorziening. Onder de kostprijs wordt tevens verstaan de huursom, te vermeerderen met de kosten van onderhoud en verzekering.

  • 4.

    In afwijking van lid 1 is geen eigen bijdrage verschuldigd voor de volgende maatwerkvoorzieningen:

    • a.

      rolstoelvoorzieningen

    • b.

      kindvoorzieningen, niet zijnde een woningaanpassing.

  • 5.

    Voor de kostprijzen van de vastgestelde maatwerkvoorzieningen wordt aansluiting gezocht bij de kostprijzen zoals deze worden gehanteerd door de gecontracteerde aanbieders.

Nadere regels eigen bi jdrage per maatwerkvoorziening.

Artikel 15: Vervoer

  • 1.

    Voor collectief vervoer is een bijdrage verschuldigd die gelijk is aan het tarief van het openbaar vervoer.

  • 2.

    De bijdrage in de kilometervergoeding voor het Wmo-vervoer als maatwerkvoorziening wordt geïnd door de vervoerder.

Artikel 16: Huishoudelijke Ondersteuning (+)

  • 1.

    De kostprijs van huishoudelijke ondersteuning en huishoudelijke ondersteuning plus in ZIN is het gemiddelde uurtarief dat is afgeleid van het bedrag per periode dat de gemeente aan de zorgaanbieders betaalt voor deze vormen van huishoudelijke ondersteuning.

    • a.

      Het tarief ZIN voor Huishoudelijke ondersteuning is € 160,00 per 4 weken. Voor het bepalen van een gemiddelde uurtarief wordt uitgegaan van 2,5 uur Huishoudelijke ondersteuning per week.

    • b.

      Het tarief ZIN voor Huishoudelijke ondersteuning plus is € 202,- per 4 weken. Voor het bepalen van een gemiddeld uurtarief wordt uitgegaan van, 2,5 uur Huishoudelijke ondersteuning plus per week.

  • 2.

    De kostprijs van huishoudelijke ondersteuning en huishoudelijke ondersteuning als pgb is een afgeleide van het tarief per periode dat de gemeente aan de gecontracteerde ZIN zorgaanbieders betaalt voor deze vormen van huishoudelijke ondersteuning.

    • a.

      Het pgb tarief Huishoudelijke ondersteuning bedraagt minimaal € 11,20 per uur (70%) en maximaal €16,00 per uur (100%) voor niet-gecontracteerde aanbieders

    • b.

      Het pgb tarief Huishoudelijke ondersteuning plus bedraagt minimaal € 14,14 per uur (70%) en maximaal € 20,20 per uur (100%) voor niet-gecontracteerde aanbieders

  • 3.

    Voor Huishoudelijke ondersteuning uitgevoerd in het eigen netwerk geldt wettelijk minimumloon gebaseerd op een werkweek van 40 uur.

  • 4.

    De te betalen eigen bijdragen voor ZIN wordt door het CAK geïnd op basis van het aantal feitelijk gewerkte en gedeclareerde uren en het gemiddelde uur tarief.

Eigen Bijdrage en Pgb.

Artikel 17. Nadere regels eigen bijdrage bij een pgb

  • 1.

    Voor voorzieningen die verstrekt worden in de vorm van een pgb wordt een eigen bijdrage opgelegd zolang het pgb verstrekt wordt.

  • 2.

    De te betalen eigen bijdrage voor een pgb wordt door het CAK geïnd op basis van het totale toegekende budget.

Eigendom en bruikleen

Artikel 18. Voorzieningen in eigendom en bruikleen

  • 1.

    Voor voorzieningen die verstrekt worden in eigendom wordt een eigen bijdrage opgelegd, tot maximaal de kostprijs van de voorziening.

  • 2.

    Voor voorzieningen in bruikleen wordt een eigen bijdrage opgelegd zolang de voorziening gebruikt wordt.

  • 3.

    Indien gekozen wordt voor een eenmalig persoonsgebonden budget in plaats van een voorziening in bruikleen, wordt een eigen bijdrage opgelegd gedurende een periode die overeenkomt met de gemiddelde levensduur van de voorzieningensoort waarvoor het persoonsgebonden budget wordt verstrekt.

  • 4.

    De eigen bijdrage mag nooit hoger zijn, dan de kostprijs van de voorziening.

Nadere regels per maatwerkvoorziening

Artikel 19. Algemene bepaling

De omvang van maatwerkvoorzieningen voor diensten wordt zoveel mogelijk vastgesteld in resultaten.

H uishoudelijke ondersteuning (plus)

Artikel 20. Huishoudelijke ondersteuning

  • 1.

    Een persoon met beperkingen heeft recht op huishoudelijke ondersteuning als hij door zijn belemmeringen, rekening houdend met de beschikbaarheid van de verplichte gebruikelijke hulp en onverplichte mantelzorg, niet of onvoldoende in staat is tot het verzorgen van het huishouden van zichzelf of van de leefeenheid waartoe hij behoort.

  • 2.

    Er kan ook een maatwerkvoorziening huishoudelijke ondersteuning verstrekt worden als deze kortdurend, al dan niet in verband met het tijdelijk ontbreken van mantelzorg, noodzakelijk is.

Artikel 21. Soort, omvang en vorm van de huishoudelijke hulp

1.Huishoudelijke hulp als maatwerkvoorziening wordt verstrekt als huishoudelijke ondersteuning of huishoudelijke ondersteuning plus. Daarbij geldt dat:

  • a.

    Huishoudelijke ondersteuning een maatwerkvoorziening is waarbij geheel of gedeeltelijk activiteiten op het gebied van het huishouden worden overgenomen;

  • b.

    Huishoudelijke ondersteuning plus een maatwerkvoorziening is waarbij geheel of gedeeltelijk activiteiten op het gebied van het huishouden worden overgenomen met inbegrip van hulp bij de organisatie van het huishouden.

Begeleiding Individueel, Begeleiding Groep en Kortdurende Opvang.

Artikel 22. Criteria individuele begeleiding

1.Een cliënt in kan aanmerking komen voor individuele begeleiding als

  • a.

    bij cliënt sprake is van een complexe ondersteuningsvraag, blijkend uit de noodzaak tot inzet van individuele begeleiding, of

  • b.

    er bij het functioneren van de cliënt sprake is van risico voor hemzelf of diens omgeving, of

  • c.

    toezicht op de cliënt nodig is.

Artikel 23. Maatwerkvoorziening kortdurend verblijf

  • 1.

    Een cliënt kan gedurende maximaal drie etmalen per week in aanmerking komen voor kortdurend verblijf als:

  • a.

    de cliënt is aangewezen op ondersteuning met permanent toezicht, en

  • b.

    de mantelzorger door het overstijgen van het gebruikelijke, redelijkerwijs van hem te verwachten toezicht overbelast dreigt te worden.

Artikel 24. Algemene voorziening dagbesteding met beperkte ondersteuning

Het college draagt met het oog op het bieden van structuur, sociale contacten alsmede het ontlasten van eventuele mantelzorgers zorg voor de aanwezigheid van algemene voorzieningen dagbesteding met beperkte ondersteuning.

Artikel 25. Maatwerkvoorziening dagbesteding met intensieve ondersteuning of arbeidsmatige dagbesteding

  • 1.

    Een cliënt kan in aanmerking komen voor dagbesteding met intensieve ondersteuning als:

    • a.

      de aanvrager als gevolg van een beperking onvoldoende zelfredzaam is om een dagbesteding, waaronder het volgen van een opleiding of het leveren van een arbeidsprestatie, voor zichzelf of met behulp van zijn netwerk te organiseren; en

    • b.

      er sprake is van een dermate complexe beperking, dat gedurende de dagbesteding directe nabijheid van gespecialiseerde zorg, ondersteuning en/of toezicht nodig is, of

    • c.

      daarmee overbelasting van eventuele mantelzorgers wordt voorkomen.

  • 2.

    Een cliënt kan, indien hij de pensioengerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt, in aanmerking komen voor arbeidsmatige dagbesteding met zo mogelijk als doel de cliënt voor te bereiden op (begeleid) werk of vrijwilligerswerk als de aanvrager onvoldoende vaardigheden heeft inzake het aanbrengen van structuur of het voeren van regie in het dagelijks leven, en

    • a.

      de aanvrager geen of zeer geringe loonvormende arbeidsprestatie kan leveren door het ontbreken van werkvaardigheden als gevolg van beperkingen en daaruit voortvloeiend een ondersteunings- en/of toezichtsvraag heeft, of

    • b.

      daarmee overbelasting van eventuele mantelzorgers wordt voorkomen.

Kortdurend verblijf en Beschermd Wonen

Artikel 26. Kortdurend verblijf

1.Een cliënt kan gedurende maximaal drie etmalen per week in aanmerking komen voor kortdurend verblijf als:

  • a.

    de cliënt is aangewezen op ondersteuning met permanent toezicht, en

  • b.

    de mantelzorger door het overstijgen van het gebruikelijke, redelijkerwijs van hem te verwachten toezicht overbelast dreigt te worden

  • c.

    het tarief voor kortdurend verblijf is opgenomen in de bijlage.

Artikel 27. Maatwerkvoorziening opvang en beschermd wonen

Het college verstrekt de maatwerkvoorziening beschermd wonen overeenkomstig het daartoe vastgesteld beleid van de gemeente Groningen, de verordening maatschappelijke ondersteuning 2015, het besluit maatschappelijke ondersteuning 2015, de regels omtrent het persoonsgebonden budget in relatie tot beschermd wonen, de regels voor bijdrage in de kosten van beschermd wonen en de nadere regels van de centrumgemeente. Dit artikel is van toepassing op alle instellingen voor maatschappelijke opvang en voor opvang van personen die de huiselijke situatie hebben verlaten in verband met risico´s voor hun veiligheid als gevolg van huiselijk geweld en waar voltijdopvang noodzakelijk is.

Vervoersvoorzieningen.

Artikel 28. Vervoersvoorziening

  • 1.

    Een persoon met beperking kan aanspraak maken op een vervoersvoorziening als hij belemmeringen ondervindt in de zelfredzaamheid, het lokaal participeren en gebruik van het openbaar vervoer of het bereiken van het openbaar vervoer niet mogelijk is.

  • 2.

    De maatwerkvoorziening voor een vervoersvoorziening beperkt zich tot de verplaatsingen in de directe woon- en leefomgeving, tenzij zich een uitzonderingssituatie voordoet waarbij het gaat om een bovenregionaal contact, dat uitsluitend door de aanvrager zelf bezocht kan worden, terwijl het bezoek voor de aanvrager noodzakelijk is om dreigende vereenzaming te voorkomen.

Artikel 29. Soorten vervoersvoorzieningen

  • 1.

    De door het college te verstrekken vervoersvoorzieningen kunnen bestaan uit:

  • a.

    collectief vervoer;

  • b.

    een door spierkracht voortbewogen vervoermiddel;

  • c.

    een scootmobiel;

  • d.

    een pgb voor aantoonbare meerkosten voor het gebruik van een eigen auto, indien voor de belanghebbende het collectief vervoer geen adequate oplossing vormt.

Artikel 30. Collectief vervoer

  • 1.

    Collectief vervoer is een maatwerkvoorziening ten behoeve van zelfredzaamheid en participatie.

  • 2.

    Met het collectief vervoer kan een persoon met beperkingen zich lokaal verplaatsen van deur tot deur, waarbij geldt dat, indien dit door het college beschikt is, medisch noodzakelijke persoonlijke begeleiding bij het gebruik van het collectieve vervoer gratis is;

  • 3.

    Het college kan, indien daar in specifieke gevallen noodzaak toe bestaat, het aantal verplaatsingen maximeren.

  • 4.

    Met het collectief vervoer kunnen pashouders kunnen vanaf 1 januari 2015 reizen in een gebied van 25,5 kilometer rondom het woonadres. Boven dit geldende maximaal te reizen aantal zones of kilometers geldt het tarief van de vervoerder.

  • 5.

    Op jaarbasis kan in beginsel maximaal 2500 kilometer worden verreden.

  • 6.

    Het tarief bedraagt een opstaptarief van € 0,88 en € 0,155 per kilometer.

  • 7.

    De stad Groningen en specialistische instellingen als bijvoorbeeld Beatrixoord en Visio te Haren vallen als puntbestemming binnen het bereik van het collectief vervoer.

Artikel 31. Door spierkracht voortbewogen vervoermiddel

  • 1.

    Een vervoersvoorziening bij een door spierkracht voortbewogen vervoermiddel kan bestaan uit:

    • a.

      de aanpassing van een fiets;

    • b.

      een niet algemeen gebruikelijke fiets;

    • c.

      een rolstoelfiets of handbike;

  • 2.

    Een persoon met beperking kan in aanmerking komen voor een voorziening als bedoeld in het vorige lid indien:

    • a.

      zijn beperking het gebruik van een gewone fiets of een aankoppelfiets onmogelijk maakt en

    • b.

      hij zijn vervoersbehoefte merendeels met een door spierkracht voortbewogen vervoermiddel kan invullen.

  • 3.

    Voor een kind kan een vervoersvoorziening tevens bestaan uit een individueel aangepast fietszitje of fietsaanhanger als een standaard voorziening niet mogelijk is.

Artikel 32. Eigen vervoer

Voor zover de belanghebbende vanwege beperkingen geen gebruik kan maken van het openbaar vervoer of van het collectief vervoer en daardoor aangewezen is op eigen vervoer dan kan belanghebbende in aanmerking komen voor een persoonsgebonden budget. De hoogte van het pgb wordt vastgesteld op een bedrag van € 0,155 per kilometer, tot maximaal 2500 kilometer op jaarbasis.

Rolstoel

Artikel 33. Rolstoel voorziening

  • 1.

    Een persoon met beperkingen kan voor een rolstoel in aanmerking komen als een rolstoel noodzakelijk is voor dagelijks zittend verplaatsen.

  • 2.

    De door het college te verstrekken rolstoelvoorziening kan bestaan uit:

    • a.

      een handbewogen rolstoel of een transportrolstoel;

    • b.

      een elektrische rolstoel;

    • c.

      individuele aanpassingen aan de rolstoel;

    • d.

      rolstoelaccessoires;

    • e.

      een rolstoel of vastframe handbike voor sportdoeleinden.

  • 3.

    Een persoon met beperkingen kan in aanmerking komen voor een persoonsgebonden budget voor de aanschaf van een sportrolstoel of een vastframe handbike indien het sporten zonder deze voorziening onmogelijk is.

Woonvoorzieningen.

Artikel 34. Woonvoorziening

  • 1.

    Een persoon met beperking kan voor een woonvoorziening in aanmerking komen als deze voorziening noodzakelijk is voor het compenseren van de belemmeringen die worden ondervonden bij het normale gebruik van de woonruimte. Bij de aanvraag om een woonvoorziening dient de mogelijkheid tot verhuizing als oplossing te worden beoordeeld (primaat van verhuizen).

  • 2.

    Een woonvoorziening wordt verstrekt in de vorm van een persoonsgebonden budget ten behoeve van de woonruimte waar de persoon met beperking woonachtig is of zal zijn en die geschikt is om het hele jaar door bewoond te worden.

  • 3.

    Woonvoorzieningen worden onder andere onderscheiden in:

    • a.

      verhuiskosten;

    • b.

      een bouwkundige of woontechnische woningaanpassing;

    • c.

      roerende woonvoorzieningen;

    • d.

      overige woonvoorzieningen.

  • 4.

    Een traplift wordt beschouwd als een roerende woonvoorziening.

Artikel 35. Verhuiskosten

  • 1.

    De hoogte van het bedrag van de verhuiskosten wordt vastgesteld aan de hand van offertes. De verhuiskosten worden verstrekt indien:

    • a.

      de woonruimte voldoet aan het programma van eisen, zoals die zijn gesteld in de voorwaardelijke beschikking en

    • b.

      de cliënt is verhuisd binnen 2 jaar na de datum van de voorwaardelijke beschikking tot toekenning van de vergoeding van de verhuiskosten.

  • 2.

    Geen vergoeding voor verhuiskosten wordt verstrekt indien :

  • a.

    een persoon met beperking voor het eerst zelfstandig gaat wonen;

  • b.

    een persoon met beperking verhuist naar een instelling voor langdurige zorg en de gemeente op grond van de wet voor deze persoon niet langer voor de ondersteuning verantwoordelijk is;

  • c.

    een persoon niet verhuisd is naar een voor de persoon meest geschikte of eenvoudig aanpasbare woning.

Artikel 36. Bouwkundige of woontechnische woningaanpassing en roerende woonvoorzieningen

  • 1.

    Het persoonsgebonden budget voor een woonvoorziening wordt vastgesteld als de tegenwaarde van het bedrag zoals vermeld in de door het college geaccepteerde offerte, dan wel bij roerende woonvoorzieningen op basis van de geldende prijsafspraken op basis van de aanbesteding hulpmiddelen. De uitkering wordt, indien noodzakelijk, verhoogd met de kosten voor onderhoud, keuring en reparatie voor zover de voorziening geen vast onderdeel vormt van de woning.

  • 2.

    Het persoonsgebonden budget voor woningsanering wordt vastgesteld op basis van de volgende bedragen:

    • a.

      Raambedekking: € 22,75 per m2 glasoppervlakte

    • b.

      Vloerbedekking: € 22.75 per m2 vloeroppervlakte

  • 3.

    Het bedrag voor woningsanering wordt verminderd met de restwaarde van de te vervangen producten.

  • 4.

    De restwaarde wordt van de te vervangen producten wordt bepaald aan de hand van het volgende afschrijvingsschema:

    • a.

      afschrijving 0% tot 2 jaar oud;

    • b.

      afschrijving 25% van 2 tot 4 jaar oud;

    • c.

      afschrijving 50% van 4 tot 6 jaar oud;

    • d.

      afschrijving 75% van 6 tot 8 jaar oud;

    • e.

      afschrijving 100% vanaf 8 jaar oud.

Overige woonvoorzieningen

Artikel 37. Tijdelijke huisvesting

  • 1.

    Als richtlijn geldt dat de vergoeding voor tijdelijke huisvesting, die door de persoon met een beperking moet worden gemaakt in verband met het aanpassen van zijn eigen woonruimte of door de persoon met een beperking nog te betrekken woonruimte maximaal t € 500,00 per maand voor de periode van maximaal 6 maanden.

  • 2.

    De vergoeding als bedoeld in het eerste lid, wordt alleen uitgekeerd over de periode dat de woonruimte ten gevolge van het verrichten van de woningaanpassing niet bewoond kan worden en de aanvrager voor aantoonbare dubbele woonlasten komt te staan.

  • 3.

    Op deze vergoeding is de eigen bijdrage niet van toepassing.

Artikel 38. Huurderving

De tegemoetkoming voor huurderving voor woningeigenaren bedraagt de kale huur van de woonruimte per maand gedurende maximaal 7 maanden, waarbij de eerste maand huurderving niet voor een vergoeding in aanmerking komt.

Artikel 39. Terugbetaling bij verkoop

De eigenaar die een woningaanpassing heeft ontvangen die leidt tot waardestijging van de woning, dient bij verkoop van deze woning binnen de periode waarop het pgb van toepassing is verklaard, deze verkoop van de woning onverwijld aan het college te melden. Het restbedrag van de kostprijs van de voorziening dient te worden terugbetaald.

Intrekking beschikking en terugvordering

Artikel 40. Intrekking en wijziging van een besluit tot verlening van een maatwerkvoorziening

  • 1.

    Het college kan een besluit geheel of gedeeltelijk intrekken of ten nadele van de persoon met beperking wijzigen als:

  • a.

    niet of niet meer wordt voldaan aan de voorwaarden of verplichtingen zoals opgenomen bij of krachtens de wet;

  • b.

    de persoon met beperking, zijn echtgenoot, ouder, pleegouder of wettelijk vertegenwoordiger onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid;

  • c.

    de voorziening onjuist was of ten onrechte is verstrekt en de belanghebbende dit wist of behoorde te weten;

  • d.

    uit onderzoek blijkt dat de persoon met beperking geen gebruik maakt van een aan hem verstrekte voorziening en naar alle waarschijnlijkheid de komende twee maanden ook geen gebruik zal maken van deze voorziening;

  • e.

    de persoon met beperking zijn verplichtingen op grond van de wet, de verordening en dit besluit onvoldoende nakomt en daardoor het recht op of de noodzaak van de gevraagde voorziening niet of niet langer kan worden vastgesteld;

  • f.

    het Persoonsgebonden Budget niet of niet volledig of voor een ander doel is aangewend voor het doel waarvoor deze is verstrekt;

  • g.

    het persoonsgebonden budget 3 maanden na toekenning nog niet is aangewend voor de bekostiging van de voorziening.

  • 2.

    De intrekking of wijziging van het besluit tot verlening van een voorziening werkt terug tot en met het tijdstip waarop deze voorziening is verleend of de situatie, bedoeld in het eerste lid, zich heeft voorgedaan, tenzij anders is bepaald.

Artikel 41. Terugvordering

  • 1.

    In geval een besluit tot verstrekking van een voorziening geheel of gedeeltelijk is ingetrokken of ten nadele van de persoon met beperking is gewijzigd, kan het college het ten onrechte betaalde persoonsgebonden budget dan wel de in natura verstrekte voorziening terugvorderen.

  • 2.

    Alle ingevolge deze verordening terug te vorderen bedragen kunnen worden verhoogd met de wettelijke rente.

Kwaliteitseisen

Artikel 42. Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning

  • 1.

    De aanbieder draagt er zorg voor dat de voorziening van goede kwaliteit is.

  • 2.

    Een voorziening wordt in elk geval:

    • a.

      veilig, doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht verstrekt,

    • b.

      afgestemd op de reële behoefte van de cliënt en op andere vormen van zorg of hulp die de cliënt ontvangt,

    • c.

      verstrekt in overeenstemming met de op de beroepskracht rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de professionele standaard;

    • d.

      verstrekt met respect voor en inachtneming van de rechten van de cliënt.

  • 3.

    De kwaliteit van voorzieningen die met een pgb worden ingekocht, moeten zoveel mogelijk aan de dezelfde kwaliteitseisen voldoen als bedoeld in het eerste en tweede lid.

  • 4.

    Voor het onderwerp "Begeleiding" staan de kwaliteitseisen in het "inkoopdocument ten behoeve van continuïteit AWBZ-Wmo 2015 22 Groninger gemeenten".

  • 5.

    Voor de kwaliteitseisen voor zorgboerderijen (Pgb) wordt zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij het document "Met klein groei je groot. Inhoud en kwaliteit kleinere aanbieders Groningen".

  • 6.

    De Kwaliteitseisen voor Huishoudelijke ondersteuning en hulpmiddelen zijn opgenomen de betreffende aanbestedingsdocumenten.

Overige Bepalingen

Artikel 43. Waardering mantelzorgers.

De jaarlijkse blijk van waardering voor mantelzorgers van cliënten in de gemeente bestaat uit een nader door het college te bepalen speciaal georganiseerde activiteit in het teken van en voor de mantelzorgers.

Artikel 44. Tegemoetkoming meerkosten personen met een beperking of chronische problemen.

Het college heeft aan artikel 14 van de Verordening Wmo 2015 invulling gegeven middels separate regeling in het minimabeleid, college besluit 28 oktober 2014 nr. 043.

Artikel 45. Meldcode (huiselijk) geweld en kindermishandeling

  • 1.

    De aanbieder, niet zijnde een aanbieder die hulpmiddelen of woningaanpassingen levert, stelt een meldcode vast waarin stapsgewijs wordt aangegeven hoe met signalen van huiselijk geweld of kindermishandeling wordt omgegaan en die er redelijkerwijs aan bijdraagt dat zo snel en adequaat mogelijk hulp kan worden geboden.

  • 2.

    De aanbieder bevordert de kennis en het gebruik van de meldcode.

  • 3.

    Het college kan aangeven uit welke elementen een meldcode in ieder geval dient te bestaan.

Artikel 46. Calamiteiten en geweld

  • 1.

    De aanbieder doet bij de toezichthoudende ambtenaar onverwijld melding van:

    • a.

      iedere calamiteit die bij het verlenen van een voorziening heeft plaatsgevonden;

    • b.

      geweld bij de verstrekking van de voorziening.

  • 2.

    Onder calamiteit wordt verstaan een niet-beoogde of onverwachte gebeurtenis, die betrekking heeft op de kwaliteit van een voorziening en die tot de dood van of een ernstig schadelijk gevolg voor een patiënt of cliënt van de instelling heeft geleid.

  • 3.

    Onder hulpverlener wordt verstaan iedere medewerker van een aanbieder.

Artikel 47. Verklaring omtrent gedrag van medewerkers

Het college kan van een aanbieder, niet zijnde een aanbieder die hulpmiddelen of woningaanpassingen levert, eisen dat deze in het bezit is van een verklaring omtrent gedrag als bedoeld in artikel 28 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens voor beroepskrachten en andere personen die beroepsmatig met zijn cliënten in contact kunnen komen, welke niet eerder is afgegeven dan drie maanden voor het tijdstip waarop betrokkene voor de aanbieder ging werken.

Artikel 48. Klachtregeling.

  • 1.

    Indien er over de uitvoering van dienstverlening van gecontracteerde aanbieders klachten bestaan, dan is in eerste aanleg de klachtenprocedure van de betreffende aanbieder van toepassing;

  • 2.

    De gemeente wordt door de aanbieder schriftelijk in kennis gesteld van de aard van de klacht en de wijze van klachtafhandeling;

  • 3.

    Indien afhandeling van de klacht via de klachtprocedure niet tot resultaat leidt, dan kan de klager zich wenden tot de gemeente voor verdere afhandeling.

Artikel 49. Betrekken ingezetenen bij beleid.

De gemeente betrekt in het beleidsproces het advies van de Wmo Adviesraad. De Wmo Adviesraad kan aan het college gevraagd en ongevraagd advies uitbrengen. De verordening Wet maatschappelijke ondersteuning adviesraad gemeente Eemsmond is op dit artikel van toepassing.

Inwerkingtreding en citeertitel.

Artikel 50. Inwerkingtreding en citeertitel.

  • 1.

    Dit besluit treedt in werking op 1 januari 2015.

  • 2.

    Dit besluit wordt aangehaald als: Nadere regels en besluit maatschappelijke ondersteuning. Het Besluit maatschappelijke ondersteuning 2012 wordt ingetrokken per 01 januari 2015.

Bijlage Tarieven Ondersteuning ZIN en persoonsgebonden budget 2015(niet zijnde informeel netwerk)

Regeling informatie
Functie code Ondersteuning ZiN tarief 2015 PGB tarief 2015
75% van het Nza tarief 2014 70% van het ZiN tarief 2015 100% van het ZiN tarief 2015
Huishoudelijke ondersteuning
Huishoudelijke ondersteuning uur n.v.t. € 11,20 € 16,00
Huishoudelijke ondersteuning plus uur n.v.t. € 14,14 € 20,20
Begeleiding individueel
H300 Begeleiding uur € 41,51 € 29,06 € 41,51
H305 Begeleiding zorg op afstand aanvullend uur € 41,51 € 29,06 € 41,51
H150 Begeleiding extra uur € 44,45 € 31,12 € 44,45
H152 Begeleiding speciaal 1 (nah) uur € 67,98 € 47,59 € 67,98
H153 Gespecialiseerde begeleiding (psy) uur € 72,23 € 50,56 € 72,23
Begeleiding groep zonder vervoer
H531 Dagactiviteit basis dagdeel € 27,27 € 19,09 € 27,27
H811 Dagactiviteit VG licht dagdeel € 29,03 € 20,32 € 29,03
H812 Dagactiviteit VG midden dagdeel € 36,75 € 25,73 € 36,75
H813 Dagactiviteit VG zwaar dagdeel € 56,54 € 39,58 € 56,54
H831 Dagactiviteit LG licht dagdeel € 37,07 € 25,95 € 37,07
H832 Dagactiviteit LG midden dagdeel € 41,93 € 29,35 € 41,93
H833 Dagactiviteit LG zwaar dagdeel € 44,91 € 31,44 € 44,91
H533 Module cliëntkenmerk (PG) dagdeel € 50,36 € 35,25 € 50,36
H800 Module cliëntkenmerk (som-ondersteunend) dagdeel € 50,36 35,25 € 50,36
Kortdurend verblijf
Z992 Per dag ZZP GGZ verblijfscomponent dag € 90,89 € 63,62 € 90,89
Z993 Per dag ZZP VG&LG verblijfscomponent dag € 90,89 € 63,62 € 90,89
Z994 Per dag ZZP ZG verblijfscomponent dag € 90,89 € 63,62 € 90,89
Z996 Per dag ZZP V&V verblijf niet-geïndiceerde dag € 90,89 € 63,62 € 90,89

Bijlage wettelijke minimumloon per 1 januari 2015

Regeling informatie
Leeftijd Per maand Per week Per dag
22 jaar € 1.276,55 € 294,55 € 58,91
21 jaar € 1.088,80 € 251,25 € 50,25
20 jaar € 923,60 € 213,15 € 42,63
19 jaar € 788,45 € 181,95 € 36,39
18 jaar € 683,30 € 157,70 € 31,54
17 jaar € 593,20 € 136,90 € 27,38
16 jaar € 518,10 € 119,55 € 23,91
15 jaar € 450,55 € 103,95 € 20,79

Bruto minimumloon per uur per 1 januari 2015 bij een gebruikelijke arbeidsduur van 40 uur per week:

Regeling informatie
Leeftijd 40 uur per week
23 jaar en ouder € 8,66
22 jaar € 7,36
21 jaar € 6,28
20 jaar € 5,33
19 jaar € 4,55
18 jaar € 3,94
17 jaar € 3,42
16 jaar € 2,99
15 jaar € 2,60

Bijlage Artikel 4.1 B esluit Wmo 2015 geldend op 8 december 2014

  • a.

    voor de ongehuwde persoon die de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, nog niet heeft bereikt € 19,40 per vier weken, met dien verstande dat indien zijn bijdrageplichtig inkomen meer bedraagt dan € 22.331,- het bedrag van € 19,40 wordt verhoogd met een dertiende deel van 15% van het verschil tussen dat inkomen en € 22.331,-;

  • b.

    voor de ongehuwde die de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, heeft bereikt € 19,40- per vier weken, met dien verstande dat indien zijn bijdrageplichtig inkomen meer bedraagt dan € 16.634,- het bedrag van € 19,40- wordt verhoogd met een dertiende deel van 15% van het verschil tussen dat inkomen en € 16.634,-;

  • c.

    voor de gehuwde personen indien een van beide de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, nog niet heeft bereikt of beiden die leeftijd nog niet hebben bereikt € 27,60 per vier weken, met dien verstande dat indien hun gezamenlijke bijdrageplichtig inkomen meer bedraagt dan € 27.917,- het bedrag van € 27,60 wordt verhoogd met een dertiende deel van 15% van het verschil tussen dat gezamenlijke inkomen en € 27.917,-;

  • d.

    voor de gehuwde personen die beiden de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, hebben bereikt € 27,60 per vier weken, met dien verstande dat indien hun gezamenlijke bijdrageplichtig inkomen meer bedraagt dan € 23.046,- het bedrag van € 27,60 wordt verhoogd met een dertiende deel van 15% van het verschil tussen dat gezamenlijke inkomen en € 23.046-.