Regeling Besluit Individuele Voorzieningen gemeente Bedum 2013

Wettechnische informatie

  • Officiële naam: Besluit Individuele Voorzieningen gemeente Bedum 2013
  • Citeertitel: Besluit Individuele Voorzieningen gemeente Bedum 2013
  • Naam organisatie: Bedum
  • Besloten door: college van burgemeester en wethouders
  • Onderwerp: maatschappelijke zorg en welzijn
  • Datum inwerkingtreding: 2013-01-09
  • Geldig tot: 2014-01-23

Grondslagen

  • Verordening voorzieningen Wmo gemeente Bedum
  • Wet maatschappelijke ondersteuning

Opmerkingen m.b.t. de regeling

  • Geen

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen
Datum
inwerking-
treding
Terugwerkende
kracht t/m
Datum uitwerking-
treding
Betreft Datum ondertekening Bron bekendmaking Kenmerk voorstel
09-01-2013 23-01-2014 Nieuwe regeling 11-12-2012 Noorderkrant, 8-1-2013 Onbekend

Inleiding

Paragraaf 1 - Algemene regels over het persoonsgebonden budget

Artikel 1. Begripsbepalingen

In dit besluit wordt verstaan onder:

  • a.

    Verordening: de verordening voorzieningen Wmo gemeente Bedum in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning.

  • b.

    College: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bedum.

  • c.

    Wmo: Wet maatschappelijke ondersteuning.

  • d.

    Verzamelinkomen: het verzamelinkomen als bedoeld in artikel 2.18 van de Wet inkomstenbelasting 2001.

  • e.

    CAK: Centraal Administratie Kantoor.

Artikel 2. Regels met betrekking tot verstrekking van een persoonsgebonden budget

1.

Verstrekking van een toegekende individuele voorziening in de vorm van een persoonsgebonden budget vindt plaats op verzoek van de belanghebbende.

2.

Het persoonsgebonden budget wordt rechtstreeks aan de belanghebbende of diens (wettelijke) vertegenwoordiger uitbetaald.

3.

Verstrekking van persoonsgebonden budget vindt plaats indien:

  • a.

    de aanvrager in aanmerking komt voor een individuele voorziening ten behoeve van het behalen van het resultaat.

  • b.

    op grond van onderzoek geen aanwijzingen zijn gevonden waardoor vermoeden bestaat dat de aanvrager problemen zal hebben bij het omgaan met een persoonsgebonden budget.

Artikel 3. Regels met betrekking tot de verantwoording van een persoonsgebonden budget

1.

De verantwoording van het persoonsgebonden budget door de budgethouder aan het college vindt in alle gevallen plaats na aankoop van de verstrekking of na afloop van elk kalenderjaar.

2.

Verantwoording van het persoonsgebonden budget gebeurt door het overleggen van:

  • -

    de nota/factuur van de aangeschafte voorziening; en

  • -

    een betalingsbewijs van de aanschaf van de voorziening; of

  • -

    een overzicht van de salarisadministratie met bijbehorende bewijsstukken.

3.

Als uit de verantwoording onder lid 1 blijkt dat nader uitgebreid onderzoek nodig is, of indien er een vermoeden van onrechtmatig gebruik bestaat, volgt een uitgebreid onderzoek.

4.

Bij besteding van het PGB voor het resultaat ‘een schoon en leefbaar huis’, is 1,5% van het Pgb tot maximaal € 250,00 vrij besteedbaar. Over dit bedrag hoeft geen verantwoording te worden afgelegd.

5.

Is het budget niet of niet volledig gebruikt dan wordt het resterende bedrag teruggevorderd of, indien van toepassing, wordt het verrekend met het toegekende budget voor het volgende kalenderjaar.

6.

Een uitzondering is het vrij besteedbare bedrag van € 250,00. Dit wordt niet teruggevorderd.

7.

Is het persoonsgebonden budget anders besteed dan waarvoor bedoeld, dan vordert het college het persoonsgebonden budget geheel of gedeeltelijk terug.

Paragraaf 2 - Eigen bijdrage hulp bij het huishouden

Artikel 4. Vaststelling en inning eigen bijdrage

1.

De vaststelling van de maximale eigen bijdrage gebeurt door het CAK op basis van het ministeriële Besluit maatschappelijke ondersteuning (AMvB).

2.

Bij vaststelling van de eigen bijdrage wordt gekeken naar leeftijd, inkomen en gezinssamenstelling.

3.

Bij verstrekking van hulp bij het huishouden in de vorm van zorg in natura wordt het vaststellen, het opleggen en het innen van de vierwekelijkse eigen bijdrage uitgevoerd door het CAK.

4.

Bij verstrekking van hulp in het huishouden in de vorm van een persoonsgebonden budget wordt het vaststellen van de vierwekelijkse eigen bijdrage uitgevoerd door het CAK. Het opleggen, het innen en het eventueel verrekenen van de vierwekelijkse eigen bijdrage wordt uitgevoerd door Menzis Wmo support.

Artikel 5. Omvang van de eigen bijdrage voor ongehuwde personen

1.

Het bedrag dat ongehuwde personen jonger dan 65 jaar [1] bij een verzamelinkomen van € 22.905,00 of minder aan eigen bijdrage dienen te betalen bedraagt maximaal € 18,00 per vier weken.

2.

Het bedrag dat ongehuwde personen jonger dan 65 jaar bij een verzamelinkomen van meer dan € 22.905,00 maximaal aan eigen bijdrage dienen te betalen per vier weken wordt als volgt vastgesteld:

  • -

    het verzamelinkomen minus € 22.905,00 = uitkomst

  • -

    15% van uitkomst plus € 234,00 (13 x € 18,00)

  • -

    delen door 13 (perioden).

3.

Het bedrag dat ongehuwde personen van 65 jaar of ouder bij een verzamelinkomen van € 16.007,00 of minder aan eigen bijdrage dienen te betalen bedraagt maximaal € 18,00 per vier weken.

4.

Het bedrag dat ongehuwde personen van 65 jaar of ouder bij een verzamelinkomen van meer dan € 16.007,00 maximaal aan eigen bijdrage dienen te betalen per vier weken wordt als volgt vastgesteld:

  • -

    het verzamelinkomen minus € 16.007,00 = uitkomst

  • -

    15% van uitkomst plus € 234,00 (13 x € 18,00)

  • -

    delen door 13 (perioden).

[1] Lees waar de leeftijdsgrens van “65 jaar” staat “de persioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artike 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet”. Door het stapsgewijs verhogen van de AOW-leeftijd kunnen belanghebbenden verschillende AOW-leeftijden hebben (Staatsblad 2012, 329 en Staatsblad 2012, 362).

Artikel 6. Omvang van de eigen bijdrage voor gehuwde personen

1.

Gehuwde personen, waarvan één of beiden jonger is dan 65 en bij een gezamenlijk verzamelinkomen van € 28.306,00 of minder, dienen maximaal € 25,80 per vier weken aan eigen bijdrage te betalen.

2.

Het bedrag dat gehuwde personen waarvan één of beiden jonger is dan 65 jaar en bij een verzamelinkomen van meer dan € 28.306,00 maximaal aan eigen bijdrage dienen te betalen per vier weken wordt als volgt vastgesteld:

  • -

    het verzamelinkomen minus € 28.306,00 = uitkomst

  • -

    15% van uitkomst plus € 335,40 (13 x € 25,80)

  • -

    delen door 13 (perioden).

3.

Gehuwde personen die beiden 65 jaar of ouder zijn en bij een verzamelinkomen van meer dan € 22.319,00 of minder dienen maximaal € 25,80 per vier weken aan eigen bijdrage te betalen.

4.

Het bedrag dat gehuwde personen die beiden 65 jaar of ouder zijn en bij een verzamelinkomen van meer dan € 22.319,00 maximaal aan eigen bijdrage dienen te betalen per vier weken wordt als volgt vastgesteld:

  • -

    het verzamelinkomen minus € 22.319,00 = uitkomst

  • -

    15% van uitkomst plus € 335,40 (13 x € 25,80)

  • -

    delen door 13 (perioden).

Paragraaf 3 - Hulp in het huishouden

Artikel 7. Vaststelling bedrag persoonsgebonden budget hulp bij het huishouden

1.

De vaststelling van een persoonsgebonden budget ten aanzien van hulp in de huishouding vindt als volgt plaats. Er wordt een bruto bedrag beschikbaar gesteld dat per uur bedraagt:

Hulp in het huishouden, categorie 1 (schoonmaakwerkzaamheden)

€ 16,48

Hulp in het huishouden, categorie 2 € 19,17

(schoonmaakwerkzaamheden met andere lichte ondersteuning in de huishouding)

Bovengenoemde tarieven zijn gebaseerd op de gemiddelde prijzen van de gecontracteerde aanbieders minus 20%.

Artikel 8. Voorwaarde met betrekking tot persoonsgebonden budget

De budgethouder dient schriftelijke overeenkomsten te sluiten met de door hem of haar ingeschakelde hulpverleners.

Artikel 9. Uitbetaling persoonsgebonden budget

Het persoonsgebonden budget wordt netto, na aftrek van de eigen bijdrage, rechtstreeks aan de belanghebbende of diens (wettelijke) vertegenwoordiger uitbetaald.

De volgende betalingsfrequentie is van toepassing op de jaarbedragen:

  • -

    een PGB tot € 2.500,00 op jaarbasis: eenmaal per jaar

  • -

    een PGB tussen € 2.500,00 en € 5.000,00 op jaarbasis: per half jaar

  • -

    een PGB tussen € 5.000,00 en € 7.500,00 op jaarbasis: per kwartaal

  • -

    een PGB boven € 7.500,00 op jaarbasis : maandelijks.

Paragraaf 4 - Woonvoorzieningen

Artikel 10. Woningaanpassing

De financiële vergoeding of het persoonsgebonden budget voor woonvoorzieningen wordt vastgesteld als tegenwaarde van het bedrag zoals vermeld in de door het college geaccepteerde offerte.

Artikel 11. Hoogte persoonsgebonden budget en financiële vergoeding

1.

Het gemaximeerde bedrag voor de verhuiskosten als genoemd in artikel 10, lid 2 van de Verordening bedraagt € 2.500,00.

2.

De hoogte van het persoonsgebonden budget zoals bedoeld in artikel 19, van de Verordening wordt vastgesteld op de door het college goedgekeurde kosten van de voorziening, inclusief eventuele kosten voor onderhoud en service gedurende de gebruiksduur van de voorziening.

3.

De hoogte de financiële tegemoetkoming zoals bedoeld in artikel 21, van de Verordening wordt vastgesteld op de door het college goedgekeurde kosten van de voorziening, inclusief eventuele kosten voor onderhoud en service gedurende de gebruiksduur van de voorziening.

4.

De maximale tegemoetkoming voor de tegemoetkoming in de kosten van een woningsanering ten behoeve van het bereiken van het resultaat “wonen in een geschikt huis” zoals bedoeld in artikel 9, bedraagt:

  • a.

    Gordijnen € 15,00 per meter voor rolgordijnen en gladde gordijnen

  • b.

    Vloerbedekking € 53,00 per strekkende meter (rolbreedte 4m) voor zeil of linoleum, inclusief egalisatiekosten.

5.

De hoogte van een door het college te verlenen financiële tegemoetkoming in de kosten van onderhoud, keuring en reparatie van een woonvoorziening ten behoeve van het resultaat “ wonen in een geschikt huis” zoals bedoel in artikel 10 van de Verordening bedraagt maximaal het in bijlage I genoemde bedrag.

Artikel 12. Antispeculatiebeding woningaanpassing

1.

Het afschrijvingsschema van woningaanpassingen die worden verstrekt ten behoeve van het bereiken van het resultaat “wonen in een geschikt huis” ziet er als volgt uit:

Afschrijving in 10 jaar

voor het eerste jaar:                   100 % van de meerwaarde;

voor het tweede jaar:                 90 % van de meerwaarde;

voor het derde jaar:                    80 % van de meerwaarde;

voor het vierde jaar:                   70 % van de meerwaarde;

voor het vijfde jaar:                     60 % van de meerwaarde;

voor het zesde jaar:                   50 % van de meerwaarde;

voor het zevende jaar:                40 % van de meerwaarde;

voor het achtste jaar:                 30 % van de meerwaarde;

voor het negende jaar:                20 % van de meerwaarde;

voor het tiende jaar:                   10 % van de meerwaarde;

Artikel 13. Onderhoud en verzekering

De belanghebbende is verplicht om gedurende de gebruiksduur de getroffen voorziening of de aangeschafte zaak voldoende te laten onderhouden en voor zover van toepassing, toereikend te verzekeren.

Artikel 14. Verklaring gereedkoming werkzaamheden woonvoorziening

Als een woonvoorziening in de vorm van een persoonsgebonden budget of financiële tegemoetkoming wordt verstrekt is een gereedmelding noodzakelijk. Dit moet direct na de voltooiing van de werkzaamheden, maar uiterlijk binnen 12 maanden na de datum van de toekenning van de toekenning van de voorziening. De gereedmelding gaat vergezeld van de op de werkzaamheden betrekking hebbende facturen. De gereedmelding leidt niet tot nabetaling.

Paragraaf 5 - Het zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel

Artikel 15. Hoogte financiële vergoeding/persoonsgebonden budget, in geval van koop

De financiële tegemoetkoming of het persoonsgebonden budget voor vervoersvoorzieningen ten behoeve van het resultaat “ zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel” zoals bedoeld in artikel 15 van de Verordening wordt vastgesteld op basis van de tegenwaarde van de goedkoopst-compenserende voorziening, indien nodig verhoogd met een bedrag voor onderhoud en reparatie, gebaseerd op het gemiddelde bedrag voor onderhoud en reparatie voor een periode van vijf jaar, uitgaande van een economische afschrijving van vijf jaar.

Artikel 16. Hoogte financiële vergoeding/persoonsgebonden budget, in geval van huur

De financiële vergoeding of het persoonsgebonden budget voor vervoersvoorzieningen ten behoeve van het resultaat “ zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel” zoals bedoeld in artikel 15 van de Verordening wordt vastgesteld op basis van de tegenwaarde van de huurprijs van de goedkoopstcompenserende voorziening inclusief onderhoud en reparatie zoals dat door het college aan de leverancier wordt betaald.

Artikel 17. Hoogte financiële tegemoetkoming in de kosten van het gebruik

De hoogte van een door het college te verlenen gemaximeerde financiële tegemoetkoming voor vervoersvoorzieningen ten behoeve van het resultaat “ zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel” zoals bedoeld in artikel 15 van de Verordening bedraagt voor het gebruik van eigen auto € 1.043,00.

Artikel 18. Verstrekken nieuwe voorziening binnen gebruiksduur

Het verstrekken van een volgende vervoersvoorziening binnen afloop van de normale gebruiksduur kan slechts in die gevallen waarin dat ook bij naturaverstrekking gebeurt, als wijziging in medische of andere relevante omstandigheden daartoe aanleiding geven.

Paragraaf 6 – Verplaatsen in en rond de woning

Artikel 19. Persoonsgebonden budget voor rolstoelen

Het persoonsgebonden budget voor een rolstoel wordt vastgesteld als tegenwaarde van de goedkoopstcompenserende voorziening. Indien nodig verhoogd met een bedrag voor onderhoud en reparatie voor een periode van vijf jaar, uitgaande van een economische afschrijving van vijf jaar.

Artikel 20. Persoonsgebonden budget en sportrolstoel

Een sportrolstoel wordt uitsluitend verstrekt als persoonsgebonden budget. Het bedrag van dit persoonsgebonden budget bedraagt maximaal €3.000,00 welk bedrag bedoeld is als tegemoetkoming in aanschaf en onderhoud van een sportrolstoel voor een periode van drie jaar. De belanghebbende is na verstrekking van de voorziening verplicht een kopie van het bewijs van aanschaf te overleggen aan de gemeente.

Artikel 21. Onderhoud en verzekering

De belanghebbende is verplicht om gedurende de gebruiksduur de aangeschafte rolstoel voldoende te laten onderhouden. In geval van een elektrische rolstoel is het verplicht om minimaal een aansprakelijkheidsverzekering (WA) af te sluiten gedurende de gebruiksduur van de rolstoel. De normale gebruiksduur van een rolstoel is vijf jaar.

Artikel 22. Verstrekken nieuwe voorziening binnen gebruiksduur

Het verstrekken van een volgende voorziening binnen afloop van de normale gebruiksduur kan slechts in die gevallen waarin dat ook bij naturaverstrekking gebeurt, als wijziging in medische of andere relevante omstandigheden daartoe aanleiding geven.

Paragraaf 7 – Slotbepalingen

Artikel 23. Citeertitel

Dit besluit wordt aangehaald als het Besluit Individuele Voorzieningen gemeente Bedum 2013.

Artikel 24. Inwerkingtreding

1.

Dit besluit treedt de dag na bekendmaking in werking.

2.

Met ingang van dezelfde dag als bedoeld in lid 1 wordt het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Bedum, versie december 2009-2, ingetrokken.

BIJLAGE 1

Aantal m2 waarvoor ten hoogste een financiële tegemoetkoming kan worden verleend ingevolge artikel 10 van de Verordening voorzieningen Wmo gemeente Bedum, aangegeven per vertrek in een zelfstandige woning.

Regeling informatie
Soort vertrek Aantal m2 waarvoor ten hoogste financiële tegemoetkoming wordt verleend in geval van aanbouw van een vertrek Aantal m2 waarvoor ten hoogste financiële tegemoetkoming wordt verleend in geval van uitbreiding van een reeds aanwezig vertrek
woonkamer 30 6
keuken 10 4
éénpersoonsslaapkamer 10 4
tweepersoonsslaapkamer 18 4
toiletruimte 2 1
badkamer:
·wastafelruimte 2 1
·doucheruimte 3 2
entree/hal/gang 5 2
berging 6 4

Het aantal m2 verhard pad tussen de openbare weg en de hoofdingang tot een woonruimte, dan wel tussen tweede ingang en een berging en / of tuinpoort dat bij het nieuw aanleggen van paden, dan wel bij het aanpassen van bestaande paden ten hoogste voor financiële tegemoetkoming in aanmerking komt bedraagt 20 m2.